|
|
||
|
|
|
De componist: monotoon of polyfoon?Het orgel was aanvankelijk een wereldlijk instrument en werd gebruikt bij feesten en in het circus. Sedert de 12de eeuw werd het in de kerk aanvaard, toen men de nuttigheid ervan ontdekte bij het aangeven van de toon voor de cantor en het ondersteunen van of het deelnemen aan de eerste vormen van polyfonie.Tot ca. 1500 bestond de orgelmuziek dan ook uit afwisselend optreden met de zangers en uit transcripties van vocale literatuur, die meer en meer instrumentaal werden naar gelang de speelaard van het instrument lichter en de registratiemogelijkheden groter werden. Tussen 1540 en 1620 ontwikkelde zich vooral in Italië, de Nederlanden, Spanje en Engeland een reeks typische structuren die niet meer aan een cantus firmus gebonden en zuiver instrumentaal gedacht waren: ricercare, canzona, toccata, fantasie, variaties op geestelijke en wereldlijke liederen. Belangrijke orgelcomponisten waren: van de eerste generatie o.a. A. Willaert (1480–1562), A. de Cabezon (1500–1566), G. Cavazzoni (1500–1560), van de tweede generatie: J.P. Sweelinck (1562–1621), J. Bull (1563–1628), H.L. Hassler (1564–1612), M. Praetorius (1571–1621), J. Titelouze (1563–1633), G. Frescobaldi (1583–1643). DuitslandIn de 17de eeuw kende Duitsland een bloeiende orgelcultuur met, in Noord-Duitsland, figuren als H. Scheidemann (1595–1663), Fr. Tunder (1614–1667) en D. Buxtehude (1637–1707), in Midden- en Zuid-Duitsland S. Scheidt (1587–1654), J. Froberger (1616–1667) en J. Pachelbel (1653–1706). Deze verschillende 'scholen' en de nieuwe vormen (preludium en fuga, koraalbewerkingen), waarvan de noordelijke hun oorsprong vonden bij Sweelinck en de zuidelijke bij Frescobaldi, convergeren in het orgeloeuvre van J.S. Bach. Bach Buxtehude Frobergen Mendelssohn Pachelbel Reger Scheideman Scheidt Telemann Tunder FrankrijkOmstreeks 1700 kende ook Frankrijk belangrijke orgelcomponisten als Fr. Couperin (1668–1733), N. de Grigny (1671–1703) en L.-N. Clérambault (1676–1749). In de periode van het classicisme en de vroege romantiek kende de orgelkunst een verval en werden vnl. naturalistische effecten nagestreefd en programmamuziek gespeeld. Het zou duren tot C. Franck (1822–1890) in Frankrijk, F. Mendelssohn (1807–1847) en vooral M. Reger (1873–1916) in Duitsland eer de romantiek in een vernieuwde vormgeving (symfonie, sonate) op het nieuwe symfonische orgel uitdrukking van kunst zou worden. De Symfonische School nam een grote vlucht met Ch.-M. Widor (1844–1937), L. Vierne (1870–1937) en M. Dupré (1886–1971), nadat J.N. Lemmens (1823–1881) het moderne orgelspel in een methode had vastgelegd.
Tegen de desacralisatie reageerde Ch.
Tournemire (1870–1939) door
terug te schakelen naar de liturgische orgelmuziek ( l'Orgue Mystique).
Clérambault Couperin Demessieux Dupré Duruflé Fauré Gounod Guilmant d'Indy Méhul Messiaen Pierné Saint-Saëns Titelouze Tournemire Vierne Widor In Duitsland greep men terug op de vormentaal van de barok: J.N. David (1895–1977), E. Pepping (1901–1981) en H. Schroeder (1904). NederlandIn België en Nederland ondergingen de componisten invloeden uit Frankrijk (zowel van Franck als van Tournemire) en uit Duitsland (Reger en Hindemith); dit is duidelijk merkbaar in de muziek van Flor Peeters (1903–1986), Hendrik Andriessen (1892–1981), A. de Klerk (1917) en P. Kee (1927).
De nieuwste compositietechnieken worden vrij moeizaam in de orgelmuziek opgenomen.
Andriessen Horst Wagenaar Franck Kee Klerk Peeters Pousseur Noord-Duitse orgelschoolNoord-Duitse orgelschool, benaming voor een school van 17de-eeuwse organisten die haar oorsprong vindt in het pedagogische werk van de Nederlander Jan Pietzerszoon Sweelinck.Diens Duitse leerlingen, Heinrich Scheidemann (1595–1663), Melchior Schildt (1593–1667) en Paul Siefert (1586–1666), brachten de Sweelinck-stijl naar Noord-Duitsland (o.m. Hamburg, Wolfenbüttel, Danzig). Hun leerlingen hebben deze stijl verder ontwikkeld tot monumentale en fantastische vormen, rijk aan contrasterende elementen. Matthias Weckmann (ca. 1619–1674, leerling van Scheidemann, Schütz en Praetorius), Joh. Adam Reinken (1623–1722, leerling van Scheidemann) en vooral Dietrich Buxtehude (1637–1707), de belangrijkste voorloper van Bach, hebben de techniek van deze school verder ontwikkeld en haar stijl steeds meer versmolten met de Duitse traditie van het polyfoon ‘omspelen’ van het lutherse koraal.
Met Nicolaus Bruhns (1665–1697, leerling van Buxtehude), Vincent Lübeck (ca. 1654–1740) en Georg Böhm (1661–1733) komt deze typisch Noord-Duitse ontwikkeling tot stilstand. De orgelwerken van J.S.
Bach vormen een synthese waarin de verworvenheden van de Noord-Duitse orgelschool (in het bijzonder het werk van Buxtehude) geïntegreerd zijn met die van de Midden- en de Zuid-Duitse orgelscholen, die beide Italiaanse en Franse elementen bevatten.
Venetiaanse SchoolVenetiaanse School, een groep Zuid-Nederlandse en Italiaanse, vnl. te Venetië werkzame componisten die tussen 1520 en 1620 veel hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van de belangrijkste vormen van barokmuziek en tot de hegemonie op muziekgebied van Italië in Europa.De bloeitijd van de Venetiaanse muziek begint met de komst van Adriaan Willaert, die in 1527 Pietro de Cá Fossis opvolgde als kapelmeester aan de San Marco. Of Willaert de eerste was die de dubbelkorigheid toepaste, is niet zeker. De miscompositie trad bij ‘de Venetianen’ Willaert, C. de Rore en Zarlino op de achtergrond ten gunste van het motet, de psalm en het Magnificat. Terwijl in de polyfone muziek van de 15de en 16de eeuw het lijnenspel op de voorgrond stond, verschijnt bij de Venetianen de klank als primair element, waaraan de afzonderlijke stemmen ondergeschikt worden gemaakt. Men ging denken in samenklanken, waarvan de werken van de theoreticus en componist G. Zarlino, die de grote en kleine drieklanken als hoofdbestanddelen van de compositie ging beschouwen, een duidelijk bewijs zijn. Na Willaert begon ook de cantus firmus-techniek bij de Venetianen te verdwijnen. Willaert is in zekere zin een overgangsfiguur geweest; hij behandelde de cantus firmus bij voorkeur imitatorisch. De strenge imitatie (zie imitatie) verdween geleidelijk. De vrijere polyfonie opende de weg naar de homofonie. Op wereldlijk gebied was er grote belangstelling voor het madrigaal. De opera verscheen pas in het tweede kwart van de 17de eeuw in Venetië. Belangrijk is ook dat in Venetië naast de vocale een voorname plaats werd ingeruimd voor de instrumentale muziek. In de eerste plaats kreeg het orgel als solo-instrument betekenis. Organisten aan de San Marco als Claudio Merulo hebben veel bijgedragen tot de ontwikkeling van de toccata en het ricercare. Merulo voegde in de toccata een ricercare in, een procédé dat ten slotte zou leiden tot het ontstaan van preludium en fuga. Het systeem van de dubbelkorigheid werd ook op de instrumentale muziek toegepast, zoals in de Sonate pian e forte van G. Gabrieli, waarbij de afwisseling van de koren met de term piano en het samengaan met de term forte werd aangeduid. Deze ruimtewerking (die overigens ook buiten Venetië werd toegepast) verleende aan de muziek een nieuwe dimensie: diepte. Van de gemengd vocaal-instrumentale bezetting kwam men tot een scheiding van instrumentale en vocale gedeelten in één compositie (deze gedeelten lossen elkaar dus af), wat blijkt uit de in 1615 gedrukte Symphoniae sacrae van G. Gabrieli. Het hoogtepunt en de afsluiting van de Venetiaanse School vormt het oeuvre van Claudio Monteverdi.
De roem van de Venetiaanse School was zo groot dat Duitse componisten als Hassler, Schütz en Aichinger naar Venetië gingen om zich verder te bekwamen. Ook de Duitsers J. Gallus, M. Praetorius en J.C. Demantius werden door de Venetiaanse School beïnvloed.
BelgiëBoeck Boutmy Buus DuMontdeThier Fétis Franck Hoof Jongen Lemmens Macque Nees Peeters Pousseur Veremans DenemarkenGade DuitslandAichinger Bach Buxtehude Distler Froberger Hassler Kempff Kuhnau Loewe Mendelssohn Nicolai Pachelbel Praetorius Reger Scheidt Telemann Vogler EngelandArne Bull Byrd Elgar Gibbons Händel Ireland Morley Pepusch Purcell Sargent Tallis Tomkins FrankrijkClérambault Couperin Demessieux Dupré Duruflé Fauré Gounod Guilmant d'Indy Méhul Messiaen Pierné Rameau Saint-Saëns Titelouze Tournemire Vierne Widor ItaliëCavalli Frescobaldi Gabrieli Landini Merulo Palestrina Ponchielli Sammartini Scarlatti NederlandAndriessen Hellendaal Hol Horst Mul Schuyt Strategier Sweelinck Wagenaar Zwart OostenrijkBruckner PolenSzabelski SpanjeVictoria TsjechiëDussek |
Bijgewerkt
29-jan-2007