In de 17de eeuw kende Duitsland een bloeiende orgelcultuur met, in Noord-Duitsland, figuren als H.
Scheidemann (1595–1663), Fr. Tunder (1614–1667) en D.
Buxtehude (1637–1707), in Midden- en Zuid-Duitsland S.
Scheidt (1587–1654), J.
Froberger (1616–1667) en J.
Pachelbel(1653–1706).
Deze verschillende 'scholen' en de nieuwe vormen (preludium en fuga, koraalbewerkingen), waarvan de noordelijke hun oorsprong vonden bij
Sweelinck en de zuidelijke bij
Frescobaldi, convergeren in het orgeloeuvre van
J.S. Bach.