|








|
|
Bach, een dynastie van componisten en
organisten
INLEIDING
Bach, familienaam van een Duits geslacht
van musici dat bijna anderhalve eeuw werkzaam was in Midden-Duitsland,
vnl. in Thüringen. In kleine en grote plaatsen waren leden van het
geslacht als stadsmuzikanten of organisten werkzaam. Over de oorsprong
van het geslacht bestaat geen zekerheid; de ca. 1520 geboren Hans Bach
wordt thans als oudst bekende telg beschouwd. Deze had twee zoons, Veit
en Caspar. Volgens sommigen is Veit Bach de oudste authentieke
vertegenwoordiger van het geslacht. Hij was weliswaar molenaar en
bakker, maar beoefende de muziek uit liefhebberij. Veit (Weimar ca.
1550–8 maart 1619) emigreerde om religieuze redenen naar Hongarije, maar
keerde later naar Thüringen terug. Zijn broer Caspar (ca. 1620–1640) was
reeds vakmusicus. Veit had een zoon Johannes, later Hans genoemd
(waaruit de verwisseling met de oudste Hans Bach is voortgekomen). Hans
Bach II (gest. Weimar 1626) was een leerling van zijn oom Caspar. Ook
hij had bakker moeten worden, maar hij was als musicus en tapijtknoper
werkzaam. Hans II had drie zoons, die de stamvaders van de drie
hoofdlijnen van het geslacht werden. Johann (Weimar 26 nov. 1604 –
Erfurt 13 mei 1673) was de stamvader van de Erfurter tak, Heinrich
(Weimar 16 sept. 1615 – Arnstadt 10 juli 1692), organist te Arnstadt,
stichter van de Arnstadtse linie en vader van Johann Sebastian Bachs oom
Johann Christoph I en Johann Michaël, en tenslotte Christoph (Weimar 10
april 1613 – Arnstadt 12 sept. 1661), de grootvader van Johann
Sebastian. Johann Ambrosius (Eisenach 22 febr. 1645 – eind jan. 1695)
was raadsmusicus in Eisenach en de vader van Johann Sebastian.
De Bachs vormden deze wijdvertakte maar sterk aan elkaar gehechte
familie, die grote, gezellige bijeenkomsten organiseerde waarbij de
muziek een vooraanstaande plaats innam. De familie had in Johann
Sebastian in muzikaal opzicht een genie en bracht in drie zoons van hem
nog grote talenten voort, maar hun muzikaliteit raakte in de loop der
19de eeuw geheel uitgeput. Tegenwoordig zijn er haast geen
afstammelingen meer te vinden en lijkt de muzikale potentie geheel
uitgeblust.
JOHANN SEBASTIAN
(Eisenach
21 maart 1685 – Leipzig 28 juli 1750), componist en organist, kreeg
mogelijk enig muzikaal onderricht van zijn oudere broer Johann Christoph,
organist in Ohrdruf, waarheen Bach was verhuisd na de dood van zijn
vader in 1695. In 1700 kreeg hij een plaats in het internaat van de St.-Michaelisschool
in Lüneburg. Over zijn muzikale vorming hier zijn geen betrouwbare
gegevens bekend. Dat hij orgellessen zou hebben gekregen van
Georg Böhm, organist van de Johanniskerk,
is niet meer dan een vermoeden. Vanuit Lüneburg maakte Bach enkele
reizen naar de nabijgelegen muziekcentra Hamburg en Celle. In Hamburg
kwam hij in contact met de organist Johann Adam
Reinken; in Celle leerde hij door de toen beroemde, geheel Frans
georiënteerde hofkapel van hertog Georg Wilhelm de Franse instrumentale
muziek kennen. In 1703 verbleef hij enkele maanden als violist en
hulporganist aan het hof in Weimar, maar reeds in hetzelfde jaar werd
hij uitgenodigd organist te worden van de Bonifatiuskerk in Arnstadt.
Hoewel de 18-jarige Bach dus een zeer goed organist moet zijn geweest,
is het tot op heden niet opgehelderd hoe hij dat is geworden. In de vier
jaren die hij in Arnstadt doorbracht, had hij de gelegenheid zich als
organist verder te profileren. Bovendien schijnt hij zich hier tevens
als componist te hebben ontwikkeld, voor zover bekend geheel
autodidactisch. Hij kwam in conflict met de kerkenraad door zijn
eigenmachtige verlenging van het verlof dat hem in de winter van
1705–1706 was verleend om het orgelspel van de in Lübeck werkende
Buxtehude te leren kennen. Ook maakte de
raad bezwaar tegen zijn lange tussenspelen in de dienst en zijn gewaagde
chromatische koraalharmonisaties.
In 1707 werd Bach organist aan de Blasiuskerk in Mühlhausen. In
datzelfde jaar huwde hij met zijn nicht Maria Barbara Bach, die moeder
zou worden van de later beroemde zonen Wilhelm Friedemann en Carl
Philipp Emanuel. In Mühlhausen zette hij zich met name in voor de
uitvoering van vocaal-instrumentale kerkmuziek. De eerste met zekerheid
te dateren cantates – een vijftal is bewaard gebleven – zijn hier
gecomponeerd. Ongunstige omstandigheden – van welke aard deze waren is
niet bekend – verhinderden Bach de realisatie van een ‘regulirte kirchen
music’, dwz. van regelmatige uitvoeringen van cantates. Deze
omstandigheden waren er waarschijnlijk de oorzaak van dat hij reeds een
jaar na zijn benoeming zijn ontslag nam (Dat de theologische controverse
tussen de lutheraanse orthodoxie en het piëtisme hierbij een rol zou
hebben gespeeld, is volstrekt onbewezen).
In 1708 aanvaardde Bach de in artistiek en maatschappelijk opzicht
aantrekkelijke positie van kamermusicus en organist aan het hof in
Weimar. Van grote betekenis voor hem was de kennismaking met de nieuwste
Italiaanse muziek (o.a. Vivaldi), die
regelmatig door de hofkapel werd uitgevoerd en die op zijn
compositiestijl van invloed is geweest. Aan zijn benoeming tot
concertmeester in 1714 was de opdracht verbonden regelmatig cantates te
componeren en uit te voeren. Hij componeerde een reeks van ca. 30
cantates in moderne stijl, dwz. met niet-bijbelse teksten als essentieel
uitgangspunt voor de compositie van recitatieven en da capo-aria's, die
in vroegere cantates geheel ontbreken. Daarnaast ontstond in Weimar een
groot aantal klavecimbel- en orgelwerken, waaronder het Orgelbüchlein.
Hoewel Bach in Weimar een gunstig klimaat vond om te werken, was hij
dermate ontstemd over het feit dat hij niet werd benoemd tot eerste
kapelmeester na het overlijden van de in dienst zijnde, dat hij zijn
ontslag indiende, wat hij met een maand arrest moest bekopen. In 1717
accepteerde hij het aanbod kapelmeester te worden aan het hof van de
muziekliefhebber Leopold von Anhalt-Köthen. Aangezien dit hof
calvinistisch was en er dus geen kerkmuziek werd uitgevoerd, legde Bach
zich toe op het componeren van instrumentale orkest- en kamermuziek,
o.a. de zes suites voor cello-solo en de drie sonates en drie partita's
voor viool-solo, de orkestsuites in C en b, de beide vioolconcerten en
het concert voor twee violen, de zes Brandenburgse concerten en het
eerste deel van Das wohltemperierte Klavier (1722). Daarnaast ontstonden
in Köthen ca. 40 wereldlijke cantates.
Een jaar na de dood van zijn eerste vrouw in 1720 trad Bach in het
huwelijk met de eveneens aan het hof verbonden sopraan Anna Magdalena
Wülcken. Uit dit huwelijk werd in 1735 Johann Christian geboren. Eind
1722 solliciteerde Bach naar de functie van cantor van de Thomaskerk en
‘director musices’ in Leipzig als opvolger van Johann Kuhnau. Wat hem
deed besluiten Köthen te verlaten, was het feit dat het werkklimaat aan
het hof ongunstig werd beïnvloed door het huwelijk van de vorst met een
volstrekt amusische prinses; bovendien speelde de praktische overweging
een rol dat zijn zoons in Leipzig aan de universiteit zouden kunnen
studeren. De raad van Leipzig gaf aanvankelijk de voorkeur aan drie toen
beroemde componisten/kapelmeesters: G.Ph. Telemann,
J.Fr. Fasch en Chr.
Graupner. Toen dezen na langdurige onderhandelingen echter niet
beschikbaar bleken, moest men zich tevreden stellen met ‘mittlere Kräfte’
en werd in 1723 ten slotte Bach benoemd. Als Thomas-cantor was hij
verantwoordelijk voor de muziek in de liturgie van de hoofdkerken van de
stad (met als voornaamste de Thomas- en de Nicolaikerk) en voor de
muzikale opleiding van de leerlingen van de Thomasschool; als ‘director
musices’ had hij de leiding van de stadsmuzikanten en de zorg voor
muziekuitvoeringen bij bijzondere gelegenheden.
In Leipzig begon de componist een artistiek project van reusachtige
omvang: voor vrijwel elke zon- en kerkelijke feestdag schreef hij een
cantate, totdat er vijf complete jaargangen gevormd waren. (Bewaard
gebleven zijn slechts de jaargangen 1723/1724, 1724/1725 en 1725/1726.)
Ingebed in dit complex zijn de grote ‘Passionen’ naar Johannes (1724) en
Mattheüs (1729). De Matthäus Passion vormt het hoogtepunt, maar ook de
afsluiting van de eerste Leipziger periode. In de resterende ruim
twintig jaar liep Bachs productiviteit sterk terug en kon hij als cantor
zijn composities heruitvoeren. Tot het relatief geringe aantal nieuwe
werken voor kerkelijk gebruik behoren de missen, waaronder de grote mis
in b, en het Weihnachts-Oratorium (1734), dat overigens voor een
belangrijk gedeelte is samengesteld uit eerder gecomponeerde muziek van
zijn wereldlijke en geestelijke cantates.
In 1729 kreeg Bach de leiding van het eerder door Telemann opgerichte
Collegium Musicum, een vereniging van beroepsmusici en studenten die
wekelijks openbare concerten verzorgde. Over de programma's van deze
concerten is niets bekend. Men mag aannemen dat het werk met dit
Collegium Musicum voor hem een welkome afleiding heeft betekend van de
regelmatige strubbelingen met het bestuur van de school en het
stadsbestuur, dat weinig begrip voor de compositorische prestaties van
de Thomas-cantor kon opbrengen.
Naast zijn officiële functies begon Bach meer en meer aandacht te
besteden aan zijn eigen belangen: hij maakte concertreizen (o.a. naar
Berlijn en Dresden) en bekommerde zich in het bijzonder om uitgaven van
eigen klavecimbel- en orgelwerken. Zo verschenen in druk tussen 1731 en
1742 de vier delen van zijn Klavierübung, in 1747 het Musikalisches
Opfer (opgedragen aan Frederik de Grote, die het thema leverde) en het
orgelwerk Vom Himmel hoch, in 1748 (?) de Schübler-Choräle voor orgel en
tenslotte postuum in 1751 de onvoltooide Kunst der Fuge. Daarnaast
ontstond in het begin van de jaren veertig het tweede deel van Das
wohltemperierte Klavier. In zijn latere jaren nam Bach ook de tijd om
oudere composities te ordenen, in het net te kopiëren of om te werken.
Deze meer reflectieve instelling had een beslissende invloed op het
karakter van veel van zijn latere werk, waarin de polyfone
compositietechnieken fuga en canon een belangrijke plaats innemen. Dat
hij zich voor de meer actuele galante en ‘empfindsame’ stijlidealen niet
geheel afsloot, bewijzen composities als de Goldberg-Variationen (1742)
en de triosonate uit het Musikalisches Opfer. Tijdens de laatste drie
jaren van zijn leven leed Bach aan een oogziekte die uiteindelijk tot
blindheid leidde. Vermoedelijk heeft hij sinds de zomer van 1749 niet
meer kunnen werken.
Bachs oeuvre is van een onuitputtelijke harmonische en melodische
rijkdom en van een indringende expressiviteit. Zijn creativiteit berust
op een nooit meer in deze mate en omvang geëvenaard constructief
vermogen. Voor de realisatie van zijn grootse concepties maakte hij
gebruik van het totaal aan muzikale stijlen, vormen en technieken van
zijn tijd. In zijn instrumentaal-vocale kerkmuziek komen o.a. elementen
voor van de Italiaanse opera (bijv. de da capo-aria), in zijn
kamermuziek elementen van de Italiaanse en Franse muziek (bijv. concerto
grosso; ouverture). In zijn orgelwerken toont hij zich bovenal een
meester van het contrapunt. De evangelische gezangen vormden de schat
waaruit Bach putte voor de koralen (o.a. in de Passionen en cantates).
De musicoloog F. Blume pleitte in 1962 voor ‘ein neues Bachbild’,
waarbij Bach minder als ‘aartscantor’ en apologeet van het lutheranisme
gezien moest worden dan als absoluut musicus die zich liet leiden door
de verplichtingen voortvloeiend uit zijn ambt. Tegen Blumes conclusies
protesteerde o.a. F. Smend, wiens studies inzake Bachs getallensymboliek
o.a. in de mis in b tot veel discussie aanleiding gaven en volgens wie
Bach ook in zijn latere werken vnl. door godsdienstige drijfveren werd
bewogen.
WERK:
Orkest: 4 orkestsuites.
Concerten: 2 vioolconc.; conc. v. 2 violen; conc. v. fluit, viool en
klavecimbel; 6 Brandenburgse conc.; 8 klavecimbelconc. (bewerkingen); 3
conc. v. 2 klavecimbels (waarvan 2 bewerkingen); 2 conc. v. 3
klavecimbels (bewerkingen).
Kamermuziek: 6 sonates v. viool en klavecimbel; 3 sonates v. viola da
gamba en klavecimbel; 3 sonates v. fluit en klavecimbel; 3 sonates v.
fluit en basso continuo.
Solo-instrumenten: Luit: bewerkingen, o.a. van de 5de cellosuite. Viool:
3 sonates, 3 partita's. Cello: 6 suites. Fluit: sonate. Klavecimbel: 15
tweestemmige Inventionen en 15 Sinfonien (driestemmige Inventionen); 6
Franse en 6 Engelse suites; 6 partita's (Klavierübung I); partita (uit:
Klavierübung II); Das Wohltemperierte Klavier I/II; 6 preludia of
fantasieën met fuga's (w.o. de chromatische fantasie); 7 toccata's, 9
kleine preludia (uit: Klavierbüchlein v. W.F. Bach); 6 kleine preludia;
5 kleine preludia; Italienisches Konzert (uit: Klavierübung II), Aria
mit 30 Veränderungen (Klavierübung IV: Goldbergvariaties); 16 concerten
(bewerkingen van o.a. Vivaldi en Marcello; echtheid betwijfeld); 4
duetten (uit: Klavierübung III); 5 suites; 3 menuetten (uit:
Klavierbüchlein v. W.F. Bach); sonates; capriccio sopra la lontananza
del suo fratello dilettissimo. Orgel: 6 triosonates; 18 grote preludia
en fuga's; 23 preludia; fuga's en fantasieën; 8 kleine preludia en
fuga's; 3 toccata's; 77 grote koraalvoorspelen; Orgelbüchlein, 4
koraalvar.
Contrapuntische werken: Musikalisches Opfer (alleen voor de triosonate
is bezetting aangegeven: fluit, viool, continuo); Die Kunst der Fuge
(bezetting niet aangegeven; op klavecimbel of orgel uitvoerbaar; een
aantal onderdelen zijn mogelijk ook voor uitvoering op
melodie-instrumenten gedacht).
Vocaal: ca. 200 geestelijke en wereldlijke cantates; motetten; missen;
Magnificat; Johannes Passion (1722–1723); Matthäus Passion (1728–1729);
Markus Passion (1731); Weihnachts-Oratorium; ca. 200 4-st. koralen;
aria's en geestelijke liederen, in: Schemellis Gesangbuch en in het
tweede Notenbüchlein für Anna Magdalena Bach.
UITG:
Vollständige kritische. Ausgabe aller
Werke Bachs, d. Bach-Gesellschaft, Leipzig (46 dln., 1851–1899; herdr.
in 35 dln., 1968), nwe uitg. d. J.-S.-Bach-Institut Göttingen en
Bach-Archiv Leipzig (85 dln., 1955 vv.).
Böhm Buxtehude Frasch Graupner Reinken Telemann Vivaldi
WILHELM FRIEDEMANN
(Weimar 22 nov. 1710 – Berlijn 1 juli
1784), organist en componist, was de oudste zoon van J.S. Bach, van wie
hij zijn muzikale opleiding ontving en die voor hem in 1720 het
Klavierbüchlein samenstelde. Zijn algemene vorming kreeg Wilhelm
Friedemann aan de Thomasschool in Leipzig en aan de universiteit aldaar,
waar hij in 1729 als student in de rechten werd ingeschreven. In 1733
werd hij benoemd tot organist van de Sophiakerk in Dresden. Hier
ontstonden vele van zijn beste composities, met name symfonieën,
concerten en klavierwerken. In 1746 verwisselde hij deze positie voor
die van ‘director musices’ aan de Liebfrauenkirche te Halle. Zijn taak
was omvangrijker dan die in Dresden: met orgelspel en uitvoeringen van
cantates moest hij de kerkmuziek verzorgen in de drie hoofdkerken van de
stad. Behalve het schoolkoor en het stadskoor stonden de stadsmusici en
het Collegium Musicum onder zijn leiding. Dat hij met zijn functie niet
ontevreden was, kan men opmaken uit het feit dat hij een aanbieding om
hofkapelmeester te worden van de landgraaf van Hessen in Darmstadt van
de hand wees. Toch legde hij, waarschijnlijk als gevolg van
herhaaldelijke conflicten met het kerkbestuur, in 1764 zijn werk in
Halle neer. Als zestigjarige verliet hij Halle definitief, maar zag geen
kans meer elders een vaste betrekking te krijgen. Noch in Braunschweig,
waarheen hij in 1770 ging, noch in Berlijn, waar hij zich in 1774
vestigde, vond hij het succes dat hij beoogde en dat hij krachtens zijn
grote gaven zeker verdiende. Waar hij ook kwam, had men bewondering voor
zijn orgelspel, maar vond hem of te oud en te weinig stabiel voor een
belangrijke en vaste positie, of te beroemd voor een middelmatige. In
Berlijn gaf hij wat lessen en orgelconcerten, schreef
gelegenheidscomposities en verkocht af en toe een manuscript van zijn
vader, maar hij moest in steeds erger wordende armoede het leven
slijten.
De grootste betekenis van Wilhelm Friedemann als componist ligt op het
gebied van de instrumentale muziek en in het bijzonder op dat van de
klavier- en kamermuziek. (Zijn kerkmuziek is minder origineel.) De
subjectieve gevoelsexpressie, die voor het componeren in het tijdperk
van de Empfindsamkeit zo typerend is, is een belangrijk kenmerk van zijn
stijl. Uit zijn sonates en fantasieën voor klavier blijkt zijn voorkeur
voor vrije, quasi improvisatorische vormen.
WERK: Pianomuziek (w.o. 9 sonates, 12 polonaises, 10 fantasieën, 1
sonate voor 2 klavecimbels); concerten voor klavecimbel en orkest;
fuga's en koraalvoorspelen voor orgel; kamermuziek (w.o. triosonates,
fluit- en altvioolduetten); symfonieën; cantates.
CARL PHILIPP EMANUEL
(Weimar 8 maart 1714 – Hamburg 14 dec.
1788), naar de steden waar hij werkte vaak de Berlijnse of Hamburgse
Bach genoemd, componist en cembalist, tweede zoon van J.S. Bach, ontving
zijn schoolopleiding aan de Thomasschool in Leipzig en zijn muzikale
vorming (compositie, klavierspel) van zijn vader. Van 1731 tot 1738
studeerde hij rechten te Leipzig en Frankfurt a.d. Oder. Zijn eerste
composities schreef hij op 18-jarige leeftijd. In 1738 kwam hij aan het
hof van de latere Frederik de Grote, die hem na zijn troonsbestijging in
1740 meenam naar Berlijn, waar hij hofmusicus en -clavecinist werd. In
deze kwaliteit trad hij regelmatig op als begeleider van de vorst, die
een verdienstelijk amateurfluitist was. Componisten als zijn broer
Johann Christian, F.W. Rust en
J.A.P. Schulz behoorden hier tot zijn
leerlingen. Uit deze Berlijnse jaren dateert zijn Versuch über die wahre
Art das Klavier zu spielen (2 dln., 1753–1762), dat met de didactische
werken van Quantz en Leopold Mozart tot de belangrijkste bronnen voor de
uitvoeringspraktijk van omstreeks 1750 behoort. Behalve de afwijzende
houding van de meer op de burgerlijk-sentimentele stroming van zijn tijd
ingestelde componist ten opzichte van de aan het hof heersende
rationalistische sfeer waren ook de Zevenjarige Oorlog en de daardoor
afnemende belangstelling van de vorst voor muziek er de oorzaak van dat
Bach solliciteerde naar een andere betrekking. In 1768 werd hij als
opvolger van Telemann Musikdirektor te Hamburg. Onafhankelijkheid als
kunstenaar zocht hij hier door openbare concerten te organiseren,
waarbij hij als clavecinist optrad en ook programma's bracht met eigen
werk en met oratoria van Händel, Telemann, Johann Gottlieb Graun en
Franz Joseph Haydn. Als bespeler van het clavichord, met zijn
vibratomogelijkheid ( ‘Bebung’) en daarmee de mogelijkheid tot
‘gevoelig’ spel, genoot Bach grote bekendheid. Als erudiet en geletterd
man onderhield hij nauwe vriendschapsbetrekkingen met dichters als
Gotthold Ephraim Lessing, Vosz, Claudius en Klopstock. Men vindt in zijn
werken een versmelting van Italiaanse en Noord-Duitse stijlen en een
cantabel en expressierijk melos, gecombineerd met een verrassende
harmonie en een grillige, improviserende vormgeving. Zijn vrijwel altijd
driedelige klaviersonates (zonder menuet) zijn van invloed geweest op
Haydn en de jonge Beethoven. De vrije fantasie (vgl. Clavier-Sonaten und
freie Fantasien, 1783; 1785) heeft hij een grote plaats in zijn scheppen
gegund. Wat dit betreft is er een duidelijke lijn door te trekken van
hem naar Haydn, Wolfgang Amadeus Mozart (die hem beiden zeer hoog
schatten), Beethoven, Schubert en Liszt. Bach had een zeer grote
waardering voor het werk van zijn vader, waarvan hij getuigde dat het
‘nichts als Meisterstücke’ bevatte. Toch betekende de naam Bach in zijn
tijd (en ook nog later) altijd Carl Philipp Emanuel en niet Johann
Sebastian. Voor Bach was muziek de taal van het gevoel: hij wilde
menselijke hartstochten opwekken en tot rust brengen. Daarmee behoort
hij geheel tot de periode van de Empfindsamkeit .
WERK:
19 symfonieën, 61 concerten, waarvan 50
voor klavier; 60 instr. duo's voor versch. instr.; 30 triosonates; 3
klavierkwartetten; ca. 200 klaviersonates, w.o. 6 Preussische Sonaten
(1742), 6 Württembergische Sonaten (1744), 6 Sonaten mit veränderten
Reprisen (1760), sonatines, rondo's en 12 variatiewerken; orgelsonates;
2 oratoria; Magnificat; 20 passiemuzieken; motetten; oden, aria's,
liederen, w.o. Oden mit Melodien (1760), Zwölf geistliche Oden und
Lieder (1764).
Rust Schulz
JOHANN GOTTFRIED BERNHARD
(Köthen 11 mei 1715 – Jena 27 mei 1739),
organist, was de derde zoon uit het eerste huwelijk van J.S. Bach. Hij
was weliswaar buitengewoon begaafd, maar ging ten onder door zijn
lichtzinnig en wispelturig karakter. Zijn functies als organist te
Mühlhausen en Sangerhausen moest hij wegens schulden en aanstootgevend
gedrag opgeven.
JOHANN CHRISTOPH FRIEDRICH
(Leipzig 21 juni 1732 – Bückeburg 26 jan.
1795), de Bückeburger Bach genoemd, componist, was de oudste zoon van
J.S. Bach uit diens tweede huwelijk. Hij ontving de eerste lessen van
zijn vader en kwam reeds in 1750, na eerst nog rechten te hebben
gestudeerd, als kamermusicus naar Bückeburg, waar hij in 1758 of 1759
tot concertmeester of hofkapelmeester werd benoemd en waar hij tot zijn
dood werkzaam bleef. Hij leerde er Johann
Gottfried Herder kennen, die teksten voor verschillende oratoria
en voor een – verloren gegane – opera voor hem schreef. Zijn omvangrijke
oeuvre vormt een tussenschakel tussen de stijl van zijn vader en de
Weense klassieke richting. Behalve oratoria componeerde hij o.a.
motetten, cantates, symfonieën, concerten voor klavier en orkest, een
septet en een sextet voor blazers, trio's en klaviermuziek.
JOHANN CHRISTIAN
(Leipzig 5 sept. 1735 – Londen 1 jan.
1782), naar de steden waar hij werkte wel de Milanese of Londense Bach
genoemd, componist, organist en klavierspeler, jongste zoon van J.S.
Bach en diens tweede vrouw, Anna Magdalena, kreeg zijn eerste
klavierlessen misschien van Joh. Schneider, organist van de Nikolaikerk,
of van Joh. Chr. Altnikol. Na de dood van zijn vader in 1750 werd zijn
opleiding voltooid door zijn halfbroer Carl Philipp Emanuel in Berlijn,
die hem ook compositielessen gaf. Onder zijn leiding ontwikkelde Johann
Christian zich tot een van de beste klavierspelers van zijn tijd. De
door Frederik de Grote gebouwde nieuwe Berlijnse opera, waar de
Italiaanse opera seria de toon aangaf en het repertoire vrijwel
uitsluitend bestond uit werken van Carl Heinrich Graun en Johann Adolf
Hasse, had zijn levendige belangstelling. In 1756 ging hij naar Milaan.
Een stipendium van graaf A. Litta stelde hem in staat te studeren bij de
befaamde Padre Martini in Bologna. In Milaan ging hij – waarschijnlijk
uit opportunistische motieven – over tot het rooms-katholicisme en werd
in 1760 benoemd tot organist aan de dom. Hij componeerde er vooral
kerkmuziek en ook enkele succesvolle opera's. In 1762 vestigde Bach zich
in Londen, waar hij met onderbrekingen als componist aan het King's
Theatre verbonden was en klavierleraar van koningin Sophie Charlotte en
haar kinderen werd. Zijn als opus 1 gedrukte 6 klavecimbelconcerten
(1763), met als finale van het laatste concert variaties over God save
the King, zijn aan haar opgedragen. Samen met de gambist en componist
Carl Friedrich Abel organiseerde hij sinds
1764 de Bach-Abel-concerten, die tot het begin van het openbare
concertleven behoren. Daarnaast oogstte hij veel succes als componist
van opera's en als propagandist van het toen moderne hamerklavier
(pianoforte). In april 1764 hoorde hij in het koninklijk paleis het
klavierspel van de achtjarige Wolfgang Amadeus
Mozart, die veel van hem leerde en op wiens compositiestijl Bach
een aanzienlijke invloed heeft uitgeoefend (bijv. het ‘zingende allegro’
voor het eerste sonatedeel). Een drietal van Bachs eerste
klaviersonates, de Six sonates pour le clavecin ou le piano forte op. 5
(1768), bewerkte Mozart tot klavierconcerten. De laatste jaren van zijn
leven ging zijn populariteit meer en meer achteruit. In 1781 werd het
laatste Bach-Abel-concert gegeven.
Kenmerkend voor Bachs schrijfwijze is een lyrische melodiek met een
sterke Italiaanse inslag. Zijn muziek ontbeert geenszins expressiviteit,
maar deze is altijd beheerst en beminnelijk. Zijn instrumentale werken
zijn van invloed geweest op de ontwikkeling van de klassieke stijl in
het laatste kwart van de 18de eeuw.
WERK:
Ruim 90
symfonieën, w.o. enkele concertante en enkele voor 2 ork.; klavecimbel-
resp. pianoconcerten; kamermuziek, w.o. de 6 kwintetten op. 11 voor
fluit, hobo, viool, altviool en cello (of basso continuo); sonates voor
viool en klavier; klaviersonates; 11 opera's; 2 oratoria; cantates;
aria's.
Abel Herder Mozart
|