|








|
|
Telemann, van autodidact tot muziekmeester
Telemann, Georg Philipp (Maagdenburg 14 maart 1681 –
Hamburg 25 juni 1767).
Duits
componist, autodidact, verbleef van 1701 tot 1704 in Leipzig, waar hij
rechten studeerde en een studenten-muziekgezelschap leidde. Tevens was
hij werkzaam als organist en componist van kerkmuziek, wat hem in
conflict bracht met Johann Kuhnau, de
toenmalige cantor van de Thomaskerk. In 1704 werd hij kapelmeester aan
het hof van graaf Promnitz in Sorau, in 1708 aan het hof van hertog
Willem van Saksen-Eisenach, waar hij bevriend raakte met de in Weimar
werkende J.S. Bach. In 1712 werd hij kerkelijk
kapelmeester en stedelijk muziekdirecteur in Frankfurt en in 1721 werd
hij in Hamburg benoemd tot muziekdirecteur van de vijf hoofdkerken en
cantor van het Johanneum. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan het
bloeiende Hamburgse muziekleven, was (1728) medeoprichter van het eerste
Duitse muziektijdschrift, Der getreue Musickmeister, schreef een
theoretisch werk, Das neue musicalisch System (1743) en was,
evenals in Frankfurt, leider van het Collegium Musicum, waarmee
hij regelmatig openbare concerten gaf. Dankzij Telemann beleefde de
Hamburgse opera een laatste bloeiperiode.
Telemann was een buitengewoon productief componist en werd in zijn tijd,
samen met Händel en Hasse, boven Bach gesteld. Hij beheerste niet alleen
perfect het Duitse contrapunt, maar ook de Franse en Italiaanse
schrijfwijze. In de ritmiek van veel van zijn composities zijn bovendien
Poolse elementen verwerkt. Zijn gehele oeuvre vertoont een ontwikkeling
waarin de Duitse barokstijl – ca. 1730 – wordt losgelaten ten gunste van
de galante stijl. Zijn instrumentale oeuvre omvat orkestsuites
(waaronder de drie delen Tafelmusik), concerten voor viool,
fluit, blokfluit, hobo en andere instrumenten (ook voor meer dan één
solo-instrument), kwartetten, trio's en duo's voor alle gangbare
instrumenten en combinaties van zijn tijd, benevens muziek voor
klavecimbel, orgel en luit. Van zijn vocale werken, voor een deel
waarvan hij zelf de teksten schreef, zijn de charmante liederen, waarin
volks- en kunstmuziekelementen worden verbonden, niet zonder invloed
gebleven.
Telemann was een meester op operagebied; opmerkelijk
zijn zijn pogingen personen en situaties door instrumentatie en
specifieke motieven te karakteriseren en zijn kamermuziekachtige
behandeling van het orkest, waarbij de basso continuo reeds ten dele is
weggelaten. In zijn grote kerkmuziekoeuvre, waarbinnen de cantatecyclus
Harmonischer Gottesdienst (1725) een belangrijke plaats inneemt,
vindt men naast de complexheid van dramatische woordschilderingen ook
eenvoudige zangerigheid. Hij schreef drie autobiografieën, samen
uitgegeven door W. Kahl in: Selbstbiographien deutscher Musiker
(1948). In 1962 vonden in Maagdenburg de eerste Telemann-Tage
plaats.
WERK
Behalve de genoemde:
Theater: ca. 45 opera's, w.o. Der geduldige Sokrates
(1721), Sieg der Schönheit oder Genserich (1722), Pimpinone (1725),
Miriways (1728), Emma und Eginhard (1728); serenades: Don Quichott
(1761); intermezzi.
Vocaal: ruim 23 jaargangen kerkcantates e.a.
geestelijke cantates; 15 missen; 2 magnificats; motetten; 22 psalmen; 46
Passionen: Seliges Erwägen (twee versies), Der für die Sünden der Welt
gemarterte und sterbende Jesus (1716; n. Brockes), Der Tod Jesu (1755;
n. Ramler), Matthäuspassion (1730), Markuspassion (1750?); oratoria:
Messias (2 dln.; n. Klopstock), Die Tageszeiten, Ino, Auferstehung, Das
befreite Israel. Der Tag des Gerichts; wereldlijke cantates; 40
Kapitänsmusiken, Schulmeistercantate, Kanarienvogel-Kantate; oden;
canons; liederen.
Geschriften: Catalogue des œuvres en musique (1733);
Beschreibung der Augenorgel (1739).
UITG
Musikalische Werke, in opdracht van de Gesellschaft
für Musikforschung (1950 vv.).
Bach Kuhnau
|