Couperin

 

START
Omhoog
Clérambault
Couperin
Demessieux
Dupré
Duruflé
Fauré
Gounod
Guilmant
d'Indy
Méhul
Messiaen
Pierné
Saint-Saëns
Titelouze
Tournemire
Vierne
Widor

 

Couperin, l'ancien et le grand

Couperin

Naam van een Franse familie van componisten en instrumentalisten in de 17de en 18de eeuw, afkomstig uit Brie.

LOUIS

(Chaumes-en-Brie ca. 1626 – Parijs 29 aug. 1661), leerling van Champion de Chambonnières, was sinds 1653 organist van de St-Gervais te Parijs en was sinds 1656 ook als gambist verbonden aan het hof van Lodewijk XIV. Hij schreef werken voor viola da gamba (Fantaisies voor 2 gamba's), orgel en klavecimbel. Zijn klavecimbelmuziek bestaat uit een groot aantal (nog niet tot suites gegroepeerde) dansvormen. De preludes zonder gefixeerd ritme die Couperin als eerste in de klavecimbelmuziek introduceerde, naar het model van geïmproviseerde luit-preludes, behoren tot de belangrijkste historische voorbeelden van gebonden improvisatie.

FRANÇOIS, BIJGENAAMD L'ANCIEN

(Chaumes-en-Brie ca. 1630 – Parijs na 1708), broer van Louis, was organist, klavecinist en muziekleraar. Van hem zijn geen composities bekend, wel zijn de twee orgelmissen van François bijgenaamd Le Grand lange tijd aan hem toegeschreven.

CHARLES

(Chaumes-en-Brie 9 april 1638 – Parijs 1679), broer van Louis en François, eveneens leerling van Chambonnières, werd na de dood van Louis diens opvolger als organist van de St-Gervais. Hoewel hij zeer waarschijnlijk wel gecomponeerd heeft, zijn er van hem geen werken bekend.

FRANÇOIS, BIJGENAAMD LE GRAND

François Couperin(Parijs 10 nov. 1668 – aldaar 11 sept. 1733), zoon van Charles, erfde van zijn vader op 11-jarige leeftijd het ambt van organist aan de St-Gervais, welke taak tot 1685 door M.R. de Lalande werd waargenomen. Naast zijn vader en zijn oom François was de organist Jacques Thomelin zijn belangrijkste leraar. In 1693 werd hij hoforganist van Lodewijk XIV en een paar jaar later werd hij benoemd tot klavecimbelleraar van de prinsen.
Hoewel de verantwoordelijkheid voor de muziek aan het hof bij d'Anglebert berustte, nam Couperin deze al vanaf 1701 op zich. Pas in 1717 werd hij officieel tot muziekintendant benoemd. In 1723 gaf hij het organistenambt aan de St-Gervais op, in 1730 ook zijn functies aan het hof.

Als componist is Couperin vooral van betekenis vanwege zijn klavecimbel- en kamermuziek. In de vier bundels Pièces de clavecin voegt hij zich in de traditie van de Franse klavecinisten, maar zijn muziek kent een grotere verfijning en gevarieerdheid. De vele voorgeschreven versieringen ( ‘agréments’) vormen een onlosmakelijk bestanddeel van de melodiek en zijn in hoge mate bepalend voor het klankbeeld van zijn muziek. In de 27 door hem ‘ordres’ genoemde suites waaruit deze bundels bestaan, komen vaak genrestukken voor met soms curieuze titels als La voluptueuse, La laborieuse, Les abeilles, La babette, Les culbutes jxcxbxnxs.

Couperin was de eerste die in Frankrijk de Italiaanse triosonate (naar het voorbeeld van Corelli) voor twee violen en basso continuo introduceerde. Hoewel een aantal van deze werken waarschijnlijk al in de jaren negentig van de 17de eeuw werd gecomponeerd, verschenen ze niet eerder in druk dan na het eerste kwart van de volgende eeuw. Een uitgave van 1726, getiteld Les nations, bevat vier ‘ordres’, elk bestaand uit een sonata da chiesa, gevolgd door een aantal dansvormen. In sommige werken streefde Couperin, die zowel Lully als Corelli bewonderde, een synthese na van de Italiaanse en Franse stijl. Een voorbeeld hiervan is zijn tweede bundel ‘concerten’ voor klavecimbel en verschillende combinaties van instrumenten, die in 1724 verscheen onder de titel Les goûts-réunis.

Zijn theoretische werken, de Règles pour l'accompagnement (1698), L’art de toucher le clavecin (1717) en de voorwoorden bij verscheidene bundels klavecimbelmuziek, waarin vele aspecten van het klavecimbel- en continuospel worden behandeld, zijn belangrijke bronnen voor kennis van de muzikale stijl van die periode.

WERK

François:

Instrumentaal: 4 bundels Pièces de clavecin (1713, 1717, 1722, 1730); triosonates (Les nations, La pucelle, La visionnaire, L’Astrée, La Steinquerque, L’impériale, La superbe); La sultane voor 2 violen en basso continuo; 4 Concerts royaux; 10 Nouveaux concerts/Les goûts réunis; Le Parnasse ou l'apothéose de Corelli; L'apothéose de Lully; Pièces de violes voor gamba en basso continuo; Pièces d’orgue, 2 orgelmissen.

Vocaal: motetten (o.a. Laudate pueri Dominum); chansons.


Corelli Lully

Bijgewerkt 15-jan-2007 START | Omhoog | Clérambault | Couperin | Demessieux | Dupré | Duruflé | Fauré | Gounod | Guilmant | d'Indy | Méhul | Messiaen | Pierné | Saint-Saëns | Titelouze | Tournemire | Vierne | Widor